Elk najaar gebeurt hetzelfde. Een kleurinstituut kondigt met veel gevoel voor drama de kleur van het komende jaar aan, verfmerken volgen met hun eigen keuze, en binnen een week staat diezelfde tint in elke tijdschriftpagina, elke etalage en elke woonbeurs. Ik kijk er met plezier naar, zoals je naar een modeshow kijkt. Maar ik ben opgehouden met doen alsof zo’n aankondiging iets zegt over het huis waar ik op dat moment binnenloop.
Want dat doet het niet. Een kleur van het jaar is een commerciële afspraak, geen bevinding. Ze wordt gekozen door een klein gezelschap dat naar mode, kunst, reclame en consumentenonderzoek kijkt, en ze wordt bekendgemaakt door partijen die er belang bij hebben dat je iets koopt in die kleur: verf, servies, kussens, een bank. Dat is geen samenzwering en het is ook niet erg. Het is gewoon marketing die zo goed is uitgevoerd dat we hem als voorspelling zijn gaan lezen.
Het probleem begint pas als iemand die kleur letterlijk overneemt. Ik heb woonkamers gezien die op papier alles goed deden, met de tint die dat jaar overal opdook, en die in het echt gewoon niet klopten. Niet omdat de kleur lelijk was, maar omdat die kamer op het noorden lag en het licht er de hele dag koel en indirect binnenvalt. Elke warme tint verschuift daar richting grijs, en elke zachte tint wordt vaal. Een kamer op het zuiden doet precies het omgekeerde: die trekt alles naar geel toe, waardoor een kleur die in de winkel gebalanceerd oogde thuis ineens te vol wordt.
Daar komt bij dat een kleur nooit alleen staat. In elk huis liggen al beslissingen vast waar je niet zomaar omheen loopt: de vloer, de keukenfronten, de kozijnen, de trapleuning, de tegels in de gang. Dat zijn de dure, moeilijk te veranderen dingen, en zij bepalen de ondertoon van de hele ruimte. Een verfkleur die het niet met de vloer eens is, wint dat gevecht nooit. Een rossige beukenvloer duwt elke muur naar oranje en vraagt om koelere, gebroken tinten daarnaast. Een grijs eiken parket met een koele ondertoon kan juist wel warme aardetinten aan, en dat is precies waarom de verschuiving naar aardse tinten in plaats van pleisterroze in het ene huis vanzelfsprekend oogt en in het andere geforceerd.
Wat er dan wel toe doet
Als iemand mij vraagt welke kleur zijn woonkamer moet krijgen, begin ik nooit bij een trendlijst. Ik vraag hoe laat ze in die kamer zitten. Een gezin dat er alleen ’s avonds komt, bij kunstlicht, heeft een compleet andere kamer dan iemand die er overdag werkt. Kunstlicht van rond de 2700 kelvin haalt het blauw uit alles, waardoor een zacht groengrijs ’s avonds bruinig wordt en een koel wit ineens vriendelijk. Wie zijn kleur alleen bij daglicht in de winkel heeft beoordeeld, kiest voor een kamer waar hij zelden is.
Daarna vraag ik wat er blijft staan. De bank die nog vijf jaar meegaat, het kleed dat van een grootmoeder was, de kast die te zwaar is om weg te doen. Die spullen hebben al een kleur, en een muur die daarmee ruziet maakt de hele kamer onrustig. Een interieur voelt duur aan als de kleuren familie van elkaar zijn, niet als er één opvallende kleur in zit. Dat is ook wat er onder de oppervlakte gebeurt bij een volledig witte woonkamer die toch niet kil is: daar doet niet de kleur het werk, maar het verschil in materiaal en textuur.
Het derde dat ik vraag, is de meest ondergewaardeerde: hoe groot is het vlak. Een kleur op een A4-tje uit de verfwinkel is niet dezelfde kleur op twintig vierkante meter muur. Verzadiging stapelt zich op. Wat op een kaartje subtiel oogt, is over een hele wand vaak twee stappen te sterk. Dat is de reden dat proefpotjes van vier of vijf euro, te koop bij Praxis, Gamma, Karwei en bij elke betere verfspeciaalzaak, het goedkoopste advies zijn dat je kunt kopen. Schilder een vlak van minstens een halve meter breed, niet op de muur zelf maar op een stuk stevig karton of een restje mdf uit de bouwmarkt, zodat je het door de kamer kunt verplaatsen. Zet het overdag bij het raam en ’s avonds naast de bank. Kijk er drie dagen naar. In die drie dagen sneuvelt de helft van de kleuren waar mensen verliefd op waren.
Trends zijn nuttig, alleen niet als opdracht
Dit is geen pleidooi tegen trends. Ik volg ze met belangstelling, want ze vertellen wel iets: waar de smaak heen beweegt, waar makers mee bezig zijn, en vooral wat er de komende jaren in de winkel gaat liggen. Als caramel en brons de bleke neutralen verdringen, zoals nu gebeurt, dan betekent dat vooral dat je aan die tinten makkelijker komt en dat de keuze in lampen, kranen en textiel meebeweegt. Het is handig om te weten wanneer je toch al iets moet vervangen, en de verschuiving die zichtbaar wordt bij caramel en brons tegenover bleke neutralen is in die zin praktische informatie.
Het kantelt op het moment dat de trend van informatie in opdracht verandert. Dan wordt een huis een verzameling losse jaartallen: een muur uit het jaar van het diepe groen, een kast uit het jaar van het messing, een vloerkleed uit het jaar van de pastels. Ze zijn stuk voor stuk verdedigbaar en samen vertellen ze niets. De huizen die me bijblijven, zijn juist de huizen waar één iemand consequent zijn eigen smaak heeft doorgevoerd, ook als die smaak in geen enkel jaaroverzicht voorkwam.
Er zit ook een rekensom onder. Een muur overschilderen kost tijd en een dag of twee ongemak. Maar een bank, een keuken of een badkamer in een modekleur is een beslissing voor tien tot twintig jaar, en die kleur is over vijf jaar herkenbaar als een jaartal. Alles wat lang meegaat en veel geld kost, houd ik daarom rustig en dicht bij de materialen zelf. De kleur die dat jaar in de mode is, mag terugkomen in de dingen die twintig euro kosten en die je zonder pijn weer weghaalt: een kussenhoes, een plaid, een vaas, een stapel kaarsen. Dat is niet laf, dat is de kleur op de juiste plek zetten.
En als je dan toch die ene aangekondigde tint prachtig vindt, koop hem. Niet omdat een instituut hem heeft uitgeroepen, maar omdat je hem drie dagen lang in je eigen kamer hebt zien liggen en er nog steeds blij van werd. Dat is de enige goedkeuring die telt, en het is meteen de enige die je huis kan geven.